5 Cent ontwerp 190. – LSch.847 (931)


Voorzijde:

Gekroonde klimmende leeuw met zwaard en pijlbundel op een veld van azuur met 15 blokken, binnen een parelrand. Omschrift: KONINGRIJK DER NEDERLANDEN en het jaartal 190.

Keerzijde:

Binnen een krans van twee samengebonden oranjetakken 5 / CENTS

Variant:

LSch.847a (932): als LSch.847 maar met diameter van 29 mm. Collectie NNC. R4

LSch.847b (940): kroon tussen door linten omslingerde eiken- en oranjetakken boven W. Daaronder NEDERLAND / 190. Nikkel 18.2 mm, 4,5 g. Collectie NNC. R4

LSch.847c (942a): als voren met gewijzigde tekening (zonder W en grote kroon). Zonder munt- en muntmeesterteken. Zilver. Collectie NNC en collectie Coenen. R4

LSch.847d (942b): als voren in brons. Collectie NNC. R4

Volgende
Navigeer het tab menu voor meer informatie ↓

In 1904 deed de de Minister van Financiën het verzoek aan de Muntmeester en de Controleur Generaal om een gemeenschappelijk rapport uit te brengen over de invoering van een nieuw 5-centsstuk.

De opdracht was om een 5 -centsstuk te vinden dat door kleur en vorm voldoende afweek van de andere bestaande denominaties om geen aanleiding te geven tot vergissingen. Daarnaast moest er ook voldoende verschil zijn met de ongeveer gelijkwaardige Duitse en Belgische munten om verwarring in de grensprovincies te voorkomen.

De oplossing was op 3 manieren te vinden:

  1. Bronzen stukken die groter waren dan het bestaande 2½ centstuk
  2. Stukken vervaardigd van een combinatie van meerdere metalen
  3. Nikkelen exemplaren die door grootte en/of vorm voldoende afwijkend waren

Voor de volgorde van de ontwerpen in dit Handboek is echter niet gekozen om de volgorde van deze 3 verschillende mogelijkheden aan te houden. Er is voor gekozen is om munten in dit Handboek op jaartal en denominatie terug te kunnen vinden, zo ook bij deze ontwerpen.

Het uiteindelijk gekozen ontwerp van het stuivertje 1907, 1908 en 1909 heeft geen lang leven gehad. De problemen begonnen in eerste instantie al bij de productie doordat men weinig ervaring had met het slaan van nikkelen / cupro-nikkelen munten.

Na de uiteindelijke uitgifte waren deze stuivers ook niet geliefd bij het publiek omdat deze regelmatig verwisseld werden met een kwartje. Zeker ook omdat de buitenverlichting in die tijd te wensen overliet. Dit stuivertje kreeg dan ook de bijnaam 'avondkwartje'.

Daarbij kwam nog de bijkomstigheid dat het materiaal zorgde voor zwarte vingers. Dit verdween wel bij het gebruik maar de ambtenaren die de nieuwe aangeleverde zakken moesten verwerken waren er niet blij mee....

Deze ronde stuiver was inwisselbaar tot 1 juli 1916.

Zie ook het artikel over deze ontwerpen in het Tijdschrift voor Munt- en Penningkunde 1908