• Munten & Penningen

LSch.345-½-ct-1819-NM-08793a.jpgLSch.345-½-ct-1819-NM-08793b.jpgLSch.345a (351a)-½ ct 1819 av-1_a WHC.jpgLSch.345a (351a)-½ ct 1819 av-1_r WHC.jpg
LSch.345-½-ct-1819-NM-08793a.jpgLSch.345-½-ct-1819-NM-08793b.jpgLSch.345a (351a)-½ ct 1819 av-1_a WHC.jpgLSch.345a (351a)-½ ct 1819 av-1_r WHC.jpg

½ Cent 1819 – LSch.345 (351)


Voorzijde:

Gekroonde strakke W tussen het jaartal

Keerzijde:

Gekroond Nederlands wapen tussen waardeaanduiding ½ - C.

Bijzonderheid:

In de ring geslagen

Variant:

LSch.345a (351a): Afslag in goud van 2.25 g. Collectie Coenen. R4

Navigeer het tab menu voor meer informatie ↓

LSch:
345
Sch:
(351)
Jaartal:
1819
Type:
Type I A
Materiaal:
Koper
Streefgewicht:
1.922 g
Diameter:
16 mm
Rand:
glad
Muntteken:
mercuriusstaf
Muntmeesterteken:
fakkel
Slagaantal:
114.000
Zeldzaamheid:
R2

Type I A:

mmt. fakkel, mt. mercuriusstaf. Te Utrecht geslagen.

Type I B:

mmt. palmtak, mt. B. Te Brussel geslagen.

In 1817 werden de eerste centen aangemaakt en vanaf 1818 de eerste halve centen. Er was een grote druk ontstaan om kopergeld te produceren omdat de koperprijs sinds 1817 aanzienlijk gestegen was waardoor de provinciale duiten, met een winst die kon oplopen tot 25 %, werden verkocht aan de smelters. Door het gebrek aan kopergeld kwamen daardoor ook Duitse Hellers en Kreutzer in het Noorden van Nederland in omloop en bijvoorbeeld de bekende Blijesteinse duit.

Nadat men het uiteindelijk over het ontwerp en de technische uitvoering eens was kwamen er sinds 1821 grote getalen centen en halve centen op de markt.

Het oude kopergeld werd pas op 7 juli 1826 definitief uit de circulatie gehaald. Deze werden versmolten tot grondstof voor de nieuwe centen. In 1827 werd dan ook een recordaantal van 48.5 miljoen centen geslagen.

Zie ook artikel van Jan Lucassen in het Jaarboek voor Munt- en Penningkunde 2019 pag. 100 e.v. ‘De kopergeldinwisseling in het Koninkrijk der Nederlanden in 1827/28 .

In 1817 werden de eerste centen aangemaakt en vanaf 1818 de eerste halve centen. Er was een grote druk ontstaan om kopergeld te produceren omdat de koperprijs sinds 1817 aanzienlijk gestegen was waardoor de provinciale duiten, met een winst die kon oplopen tot 25 %, werden verkocht aan de smelters. Door het gebrek aan kopergeld kwamen daardoor ook Duitse Hellers en Kreutzer in het Noorden van Nederland in omloop en bijvoorbeeld de bekende Blijesteinse duit.

Nadat men het uiteindelijk over het ontwerp en de technische uitvoering eens was kwamen er sinds 1821 grote getalen centen en halve centen op de markt.

Het oude kopergeld werd pas op 7 juli 1826 definitief uit de circulatie gehaald. Deze werden versmolten tot grondstof voor de nieuwe centen. In 1827 werd dan ook een recordaantal van 48.5 miljoen centen geslagen.

Zie ook artikel van Jan Lucassen in het Jaarboek voor Munt- en Penningkunde 2019 pag. 100 e.v. ‘De kopergeldinwisseling in het Koninkrijk der Nederlanden in 1827/28.