Historical overview

King Willem I

Handbook - Overview of the Dutch coins from 1795-2001

Back to the page 'Historical overviews'...

Willem I (The Hague, 24 August 1772 – Berlin, 12 December 1843)
King of The Netherlands and Grand Duke of Luxembourg (1815 - 1840)
The “Merchant King”

Willem Frederik was the son of the hereditary governor of the Seven United Provinces, Willem V of Orange, and Sophie Friederike Wilhelmine of Prussia. His uncle was King Friedrich Wilhelm II of Prussia, the nephew and successor of Friedrich “the Great”.

He was drawn to his uncle’s court at a young age, where he also met his cousin Friederike Luise Wilhelmine of Prussia, whom he married in 1791 and with whom he had five children. The young prince earned his first military merits when he joined the coalition army with a strong contingent in Flanders in the First Coalition War against France in 1792, successfully besieged the fortress of Landrecies (Northern France), and forced the French General Roulland to surrender. However, after the victory of the French revolutionary army in the Battle of Fleurus (between Namur and Charleroi), he was forced to flee to England with his father in 1795. Previously, however, there had already been considerable conflict between Willem V and the Dutch “Pattriote Party”. At the beginning of 1802, Willem V was appointed Prince of Fulda, Prince of Corvey, Count of Dortmund and Lord of Weingarten to replace the lost governorship. In August, he ceded these territories awarded to him to his son Hereditary Prince Willem Frederik, who thereafter stayed mostly in Fulda and established a small “model state” there. The prince founded the Protestant community, to which the “House of Orange” still bears witness today. In 1805 he dissolved the University of Fulda and converted it into an academic college preparatory school and lyceum. In 1806 the father died in Brunswick / Braunschweig.

Fulda was occupied by the French in 1806 and Willem left for Prussia. In the Fourth Coalition War of 1806, he surrendered with a division of 10,000 men at Jena, whereupon Napoleon deprived him of his principality. He was left with only his estates in Silesia and Posen, to which he retreated. In 1809, he took part in the Fifth Coalition War under Archduke Charles of Austria and, after losing the Battle of Wagram to Napoleon, withdrew to England. When the Dutch rose up against the French occupation following the Prussian invasion in 1813, Willem returned and landed at Scheveningen on 30 November. On 30 March 1814 he was enthroned in the Nieuwe Kerk in Amsterdam under the name “Willem I of Orange-Nassau”. In 1815, the decisions of the Congress of Vienna elevated The Netherlands and the “southern provinces”, which comprised the territory of present-day Belgium, to a constitutional monarchy. They were joined by Luxembourg, of which Willem was Grand Duke.

As king, Willem I established a bureaucratic-centralist, modern unitary state through decrees and regulations. He paid particular attention to the economic development of the country: He promoted trade, industry and shipping, while also personally enriching himself handsomely, which earned him the nickname “Koopman Koning”(“Merchant King”) from the cynical Dutch. In 1814 he founded the Niederländische Bank.

His ideas of a tightly-run unitary state, however, took no account of the cultural and religious differences in his kingdom. A major source of conflict soon arose in Belgium, for the predominantly Catholic population living there did not want to be ruled by the Protestant Dutch. Willem I tried to break the resistance with a very unwise and harsh policy which levied higher taxes in the Belgian part of the country, censoring the press, introducing Dutch as the official language and filling the administrative posts with exclusively Dutch officials. The displeasure of the Belgian population was expressed on the evening of 25 August 1830 -- the day after the king’s birthday -- when “The Silent Ones of Portici” was performed at the Brussels Opera. This work with historical content, glorifying the Neapolitans’ fight for freedom against the Spanish occupation in the 17th century, incited the people to such an extent that they ran into the streets, sang the Marseillaise, and erected barricades following the example of the July Revolution in Paris. Eventually the riots spread to Antwerp.

In the end, King Willem could not put down the uprising militarily because many soldiers refused to fire on their fellow citizens. The secession movements ended for Belgium and Luxembourg with the Treaty of London of 19 April 1839, in which Belgium was recognised as an independent, hereditary constitutional monarchy and neutral state. Since then, the former “United Kingdom of The Netherlands” has called itself the “Kingdom of The Netherlands”. The Grand Duchy of Luxembourg, which was reduced by two-thirds of its territory, remained part of the German Confederation and was also ruled by the Dutch king in a “personal union”. Since the treaty had turned out to be financially unfavourable for The Netherlands and Willem I refused to recognise certain reforms, the king fell increasingly into disrepute with the Dutch. The height of his unpopularity was reached when, after the death of Queen Wilhelmine in 1837, he announced his intention to marry her lady-in-waiting, the Belgian Roman Catholic Countess Henriette d'Oultremont de Wégimont. The King did not want to expose himself to further hostility, and on 7 October 1840 placed the crown in the hands of his eldest son Willem II. He himself went with his fiancée to Berlin, where he moved into the “Dutch Palais” under the Linden trees. On 12 December 1843, two years after marrying the Countess, he died there.

De munten zijn geslagen volgens de Wet van 28 september 1816 tot regeling van het Nederlandsche Muntwezen, Staatsblad nr. 50. Tussen 1822 en 1830 waren er twee munthuizen in het Koninkrijk in gebruik namelijk te Utrecht met het muntteken mercuriusstaf en te Brussel met het muntteken de letter B. Na de afscheiding van België zijn alle munten in Utrecht geslagen. De Franse Franc, die in de Zuidelijke provincies het voornaamste betaalmiddel was, bleef nog gangbaar voor 47¼ cent tot 1825 in welk jaar hij ophield wettig betaalmiddel te zijn.

De toenmalige muntmeester Y. D. C. Suermondt voerde in 1817 op de munten het mmt. helmteken uit zijn familiewapen, vroeger ook wel gebakerd kindje, luierkindje of mummie genaamd. Dit werd echter door de Minister van Financiën Six afgekeurd omdat op ‘dat kindje in de luuren door schotschrijvers paskwillen zouden kunnen worden gemaakt.’ Zie hiervoor ook het artikel van J. E. ter Gouw in het Tijdschrift 1899, blz. 179 en J. P. Moquette, De munten van Nederlandsch Indië, blz. 200.

De dubbele standaard werd vastgesteld met een waardeverhouding tussen het goud en zilver van 15.873 : 1. Voor de aanmunting van zilveren speciën werden in de eerste jaren uitsluitend oude muntstukken uit de omloop gebruikt.

Volgens het Besluit van 8 december 1824 moesten ook in de Zuidelijke provincies alle bedragen in Nederlandse Gulden en Cents uitgedrukt worden. In het staatsblad nr. 63 verschijnt dan ook een ‘tarief volgens hetwelk de oude provinciale en landelijke muntspeciën der zuidelijke provinciën aldaar in de Nederlandse munt zullen berekend worden’ namelijk:

Munten van de Oostenrijkse Nederlanden:

Gouden Dubbele Souverain ƒ 15,98
Enkele Souverain ƒ 7,99
Halve Souverain ƒ 3,99½
Dukaat ƒ 5,04
Zilveren Dukaton ƒ 2,98
Koperen Stuk van 2 Oortjes ƒ 0,02
Koperen Stuk van 1 Oortje ƒ 0,01

Luikse munten

Gouden Dukaat ƒ 4,90
Gouden Gulden ƒ 4,90
Zilveren Dubbele Schelling ƒ 0,57
Zilveren Schelling ƒ 0,28½
Zilveren Plaket ƒ 0,13½
Koperen Luikse Stuiver ƒ 0,02½
Koperen halve Luikse Stuiver ƒ 0,01
Koperen Oortje ƒ 0,00½

Luxemburgse munten:

Zilveren Stuk van 12 Stuiver ƒ 0,40
Zilveren Stuk van 6 Stuiver ƒ 0,19
Zilveren Stuk van 3 Stuiver ƒ 0,09½
Koperen Luxemburgse Stuiver ƒ 0,04
Koperen Luxemburgse Halve Stuiver ƒ 0,02
Koperen Oortje ƒ 0,01
Koperen half Oortje ƒ 0,00½

Volgens het Besluit van 10 mei 1826 werd het Nederlandse muntstelsel ook in werking gebracht op Curaçao en onderhorige eilanden en volgens het Besluit van 15 augustus 1826 ook te Suriname. Op 27 november 1827 verscheen een Besluit, waarbij in de maand januari 1828 oude koperen provinciale en andere munten nog ingewisseld konden worden tegen ƒ 1,– voor één Nederlands pond oude koperen munten. Na de muntwet van 22 maart 1839, Staatsblad nr.6, zijn de oude provinciale en stedelijke munten ingetrokken en versmolten voor hermunting.

De oude Schellingen van 6 Stuiver waren sinds het Besluit van 22 november 1823 voor 5 Stuiver in omloop geweest. Bij de Wet van 1839 werd de inhoud van het zilvergeld verlaagd en de middellijn verkleind ten einde genoegzaam dikte te verkrijgen om het randschrift aan te brengen, terwijl er geen 3–Guldenstukken meer aangemunt zouden worden maar een 2½ Guldenstuk

Omdat na de troonsbestijging van Willem II niet dadelijk nieuwe stempels met zijn borstbeeld gereed waren zijn in 1841 en 1842 nog Rijksdaalders met het portret van Willem I geslagen doch alle met het jaartal 1840.

Over het randschrift ★ GOD ★ ZY ★ MET ★ ONS · dat nu voor het eerst op de munten verschijnt zie Besier, Muntverslag 1887, blz. 3.