• Munten & Penningen

Historisch overzicht

Koning Willem I

Het handboek van de Nederlandse munten van 1795 - 2001

Terug naar de pagina "Historische overzichten" ...

Willem I: Souverein Vorst 1813-1815 en Koning 1815-1840

Willem I werd op 24 augustus 1772 te Den Haag geboren als zoon van Prins Willem V en Prinses Wilhelmina van Pruissen en werd dus Prins Willem VI genoemd. Nadat Napoleons veldtocht tegen Rusland mislukt was begon in november 1813 ook hier de opstand, die zijn voltooiing vond na de val van het Franse Keizerrijk op 11 april 1814.

Prins Willem VI landde in Scheveningen op 30 november 1813 en werd dadelijk tot ‘Soeverein–Vorst’ uitgeroepen. Bij het Verdrag van Londen op 14 juni 1814 werd België verenigd met de Noordelijke Nederlanden tot het Koninkrijk der Nederlanden en op 16 maart 1815 werd Prins Willem VI door het Congres te Wenen als Koning Willem I op de troon geplaatst, op 27 september 1815 te Brussel gekroond en daarna te Amsterdam ingehuldigd.

De samenvoeging van de Noordelijke- en Zuidelijke Nederlanden tot één Koninkrijk bleek een ongelukkige beslissing. De tegenstellingen in volksaard, belangen en religie verscherpten zich aanzienlijk. Willem I slaagde er niet in, mede door zijn weifelende houding, deze verschillen te overbruggen. Dit resulteerde in de ‘Belgische Opstand’ van 1830, de afscheiding van Nederland en de oprichting van een eigen onafhankelijk Koninkrijk België. Luxemburg bleef nog onder de soevereiniteit van Koning Willem I en zijn mannelijke opvolgers.

De Nederlandsche Bank werd in 1814 opgericht door Willem I (ook wel Koning Koopman genoemd). Het bijzondere van De Nederlandsche Bank was dat zij zowel kredietinstelling werd als circulatiebank. De oprichting van het voormalig Koninklijk Munt- en Penningkabinet (thans onderdeel NNC) paste in een reeks maatregelen van Willem I om het jonge koninkrijk ook een cultureel gezicht te geven: tegelijkertijd ontstonden ook in Den Haag het Koninklijk Kabinet van Schilderijen en de Koninklijke Bibliotheek. Willem I interesseerde zich sterk voor deze verzamelingen die hij regelmatig liet uitbreiden. Willem I deed op 28 november 1840 afstand van de troon ten behoeve van zijn zoon Willem II. Hij stierf op 12 december 1843 te Berlijn.

De munten zijn geslagen volgens de Wet van 28 september 1816 tot regeling van het Nederlandsche Muntwezen, Staatsblad nr. 50. Tussen 1822 en 1830 waren er twee munthuizen in het Koninkrijk in gebruik namelijk te Utrecht met het muntteken mercuriusstaf en te Brussel met het muntteken de letter B. Na de afscheiding van België zijn alle munten in Utrecht geslagen. De Franse Franc, die in de Zuidelijke provincies het voornaamste betaalmiddel was, bleef nog gangbaar voor 47¼ cent tot 1825 in welk jaar hij ophield wettig betaalmiddel te zijn.

De toenmalige muntmeester Y. D. C. Suermondt voerde in 1817 op de munten het mmt. helmteken uit zijn familiewapen, vroeger ook wel gebakerd kindje, luierkindje of mummie genaamd. Dit werd echter door de Minister van Financiën Six afgekeurd omdat op ‘dat kindje in de luuren door schotschrijvers paskwillen zouden kunnen worden gemaakt.’ Zie hiervoor ook het artikel van J. E. ter Gouw in het Tijdschrift 1899, blz. 179 en J. P. Moquette, De munten van Nederlandsch Indië, blz. 200.

De dubbele standaard werd vastgesteld met een waardeverhouding tussen het goud en zilver van 15.873 : 1. Voor de aanmunting van zilveren speciën werden in de eerste jaren uitsluitend oude muntstukken uit de omloop gebruikt.

Volgens het Besluit van 8 december 1824 moesten ook in de Zuidelijke provincies alle bedragen in Nederlandse Gulden en Cents uitgedrukt worden. In het staatsblad nr. 63 verschijnt dan ook een ‘tarief volgens hetwelk de oude provinciale en landelijke muntspeciën der zuidelijke provinciën aldaar in de Nederlandse munt zullen berekend worden’ namelijk:

Munten van de Oostenrijkse Nederlanden:

Gouden Dubbele Souverain                      ƒ 15,98

Enkele Souverain                                      ƒ 7,99

Halve Souverain                                        ƒ 3,99½

Dukaat                                                       ƒ 5,04

Zilveren Dukaton                                      ƒ 2,98

Koperen Stuk van 2 Oortjes                      ”      0,02

Koperen Stuk van 1 Oortje                        ”      0,01

Luikse munten

Gouden Dukaat                                          ƒ 4,90

”            Gulden                                         ”      4,90

Zilveren Dubbele Schelling                       ”      0,57

”             Schelling                                     ”      0,28½

”             Plaket                                           ”      0,13½

Koperen Luikse Stuiver                             ”      0,02½

”             Halve Luikse Stuiver                  ”      0,01

”             Oortje                                          ”      0,00½

Luxemburgse munten:

Zilveren Stuk van 12 Stuiver                            0,40

”             Stuk van 6 Stuiver                       ”      0,19

”             Stuk van 3 Stuiver                       ”      0,09½

Koperen Luxemburgse Stuiver                 ”      0,04

”             Luxemburgse Halve Stuiver       ”      0,02

”             Oortje                                          ”      0,01

”             Half Oortje                                  ”      0,00½

Volgens het Besluit van 10 mei 1826 werd het Nederlandse muntstelsel ook in werking gebracht op Curaçao en onderhorige eilanden en volgens het Besluit van 15 augustus 1826 ook te Suriname. Op 27 november 1827 verscheen een Besluit, waarbij in de maand januari 1828 oude koperen provinciale en andere munten nog ingewisseld konden worden tegen ƒ 1,– voor één Nederlands pond oude koperen munten. Na de muntwet van 22 maart 1839, Staatsblad nr.6, zijn de oude provinciale en stedelijke munten ingetrokken en versmolten voor hermunting.

De oude Schellingen van 6 Stuiver waren sinds het Besluit van 22 november 1823 voor 5 Stuiver in omloop geweest. Bij de Wet van 1839 werd de inhoud van het zilvergeld verlaagd en de middellijn verkleind ten einde genoegzaam dikte te verkrijgen om het randschrift aan te brengen, terwijl er geen 3–Guldenstukken meer aangemunt zouden worden maar een 2½ Guldenstuk

Omdat na de troonsbestijging van Willem II niet dadelijk nieuwe stempels met zijn borstbeeld gereed waren zijn in 1841 en 1842 nog Rijksdaalders met het portret van Willem I geslagen doch alle met het jaartal 1840.

Over het randschrift ★ GOD ★ ZY ★ MET ★ ONS · dat nu voor het eerst op de munten verschijnt zie Besier, Muntverslag 1887, blz. 3.