• Munten & Penningen

LSch.824-Proef 10 cent 190.-927-HNM-06005aLSch.824-Proef 10 cent 190.-927-HNM-06005bLSch.824a-Proef 10 cent 1906-928-HNM-05918aLSch.824a-Proef 10 cent 1906-928-HNM-05918bLSch.824b-Proef 10 cent 1906-929-HNM-05920aLSch.824b-Proef 10 cent 1906-929-HNM-05920bLSch.824c-Proef 10 cent 1906-930-HNM-05922aLSch.824c-Proef 10 cent 1906-930-HNM-05922b
LSch.824-Proef 10 cent 190.-927-HNM-06005aLSch.824-Proef 10 cent 190.-927-HNM-06005bLSch.824a-Proef 10 cent 1906-928-HNM-05918aLSch.824a-Proef 10 cent 1906-928-HNM-05918bLSch.824b-Proef 10 cent 1906-929-HNM-05920aLSch.824b-Proef 10 cent 1906-929-HNM-05920bLSch.824c-Proef 10 cent 1906-930-HNM-05922aLSch.824c-Proef 10 cent 1906-930-HNM-05922b

10 Cent ontwerp 190(6) – LSch.824 (927)


Voorzijde:

Kroon met linten, eiken- en klimoptak boven NEDERLAND / 190 rondom doorboring.

Keerzijde:

Oranjetak links en waarde 10 / CENTS rechts van de doorboring.

Bijzonderheid:

Een complete set van deze ontwerpen zijn geveild in november 1925 bij J. Schulman kavel 1349 t/m 1352.

Varianten:

LSch.824a (928): Voorzijde: gekroonde banderol tussen eikenloof rondom NEDERLAND. Onderaan het jaartal 1906 met links mmt grote hellebaard en rechts mt grote mercuriusstaf, brede slijtrand. Keerzijde: waarde 10 / CENTS tussen samengestrikte oranjetakken, brede slijtrand. ± 22 mm, 6.6 g. Collectie NNC. R4

LSch.824b (929): Als voren maar met versierde brede sluitrand. ± 22 mm, 6.7 g. Collectie NNC en collectie Coenen. R4

LSch.824c (930): Als voren maar zonder brede sluitrand. ± 22 mm, 6.7 g. Collectie NNC. R4

Navigeer het tab menu voor meer informatie ↓

10 Cent, algemene omschrijving
Zilvergehalte 640/1000; netto/bruto gewicht 0.896/1.400 g

Type I A: Hangend haar. Medailleur W.J. Schammer. Mt. mercuriusstaf, Mmt. hellebaard

Type I B: Hangend haar’ als type I A maar iets breder hoofd

Type II A: Kroningstype. Medailleur J.P.M. Menger. Mt. mercuriusstaf, Mmt. hellebaard

Type II B: Kroningstype. Medailleur J.C. Wienecke. Mt. mercuriusstaf, Mmt. hellebaard. Groter hoofd van gewijzigde tekening, het omschrift eindigt bij de hals. De keerzijde iets gewijzigd, smallere cijfers en letters

Type II C: ‘Kroningstype’ met kleiner hoofd. Het omschrift loopt door onder de hals. Geen punt na het jaartal. mmt. hellebaard

Type III A: ‘Hermelijnen mantel’. Medailleur J.C. Wienecke. Mt. mercuriusstaf, Mmt. zeepaard. Een interessant artikel over het ontstaan van de beeldenaar met de Hermelijnen mantel kunt u lezen in het JMP 1987: Een vorstin in Hermelijn door Ir. F. Sevenhuijsen / Ir. J.A. Sevenhuijsen

Type III B: ‘Hermelijnen Mantel’ als type III A maar met gewijzigde keerzijdestempel, smallere eikenkrans enz

Type IV A: ‘Ouder hoofd’ . Medailleur J.C. Wienecke. Mt. mercuriusstaf, Mmt. zeepaard

Type IV B: ‘Ouder hoofd’ als type IV A maar met Mmt. druiventros

Type IV C: ‘Ouder hoofd’ als type IV A met iets gewijzigde tekening. P(hiladelphia) en eikel in plaats van het mt. en mmt. Geslagen in Amerika tijdens de bezetting (WW II), bestemd voor gebruik in Nederland.

Type IV D: Ouder hoofd als type IV A van iets gewijzigde tekening. P(hiladelphia) en palmboom in plaats van het mt. en mmt. Geslagen in Amerika tijdens de bezetting (WW II), bestemd voor gebruik in Curaçao en Suriname.

Type IV E: Ouder hoofd als type IV A van iets gewijzigde tekening. S(an Francisco) en eikel in plaats van het mt. en mmt. Geslagen in Amerika tijdens de bezetting (WW II), bestemd voor gebruik in Nederland.

Type IV F: Ouder hoofd als type IV A van iets gewijzigde tekening. D(enver) en eikel in plaats van het mt. en mmt. Geslagen in Amerika tijdens de bezetting (WW II), bestemd voor gebruik in Nederland.

Type V: 10 Cent zink tijdens de Duitse bezetting 1940-1945 in Nederland geslagen. Mt. mercuriusstaf, zonder Mmt.
(Zie voor 10 cent zink 1941 met afbeelding Driekruinenboom onder de rubriek 10 cent Ontwerpen).

Type VI: 10 Cent nikkel. Ouder hoofd van gewijzigde tekening. Medailleur Prof. L.O. Wenkebach, Mt. mercuriusstaf, Mmt. vis. Nikkel 990/1000 Ø 15 mm 1,500 g

Vanaf 1904 is onderzoek gedaan naar het ontwerpen van een nieuw type stuiver met de bedoeling dat daar later ook een bijpassend 10 centstuk aan zou worden toegevoegd. In het Tijdschrift voor Munt- en Penningkunde 1908 is een uitgebreid artikel geschreven over deze 5 centstukken maar de 10 cent is daar niet bij opgenomen. De hier getoonde ontwerpen van J.C. Wienecke zijn uiteindelijk allemaal afgekeurd.

Zie ook het boek Johannes Cornelis Wienecke 1872-1945 waarin aandacht is geschonken aan het meerjarig ontwerpproces van deze nieuwe muntslag.