• Munten & Penningen

LSch.516 (636)-25 ct 1853_a WHC7778.jpgLSch.516 (636)-25 ct 1853_r WHC7777.jpgLSch.516a (636a)-25 ct 1853 cm-2_a WHC7546.jpgLSch.516a (636a)-25 ct 1853 cm-2_r WHC7545.jpg
LSch.516 (636)-25 ct 1853_a WHC7778.jpgLSch.516 (636)-25 ct 1853_r WHC7777.jpgLSch.516a (636a)-25 ct 1853 cm-2_a WHC7546.jpgLSch.516a (636a)-25 ct 1853 cm-2_r WHC7545.jpg

25 Cent 1853 – LSch.516 (636)


Voorzijde:

Hoofd naar rechts, waaronder de initialen van de graveur I.P.S. Omschrift: WILLEM III KONING DER NED. G.H.V.L.

Keerzijde:

Waardeaanduiding als 25 CENTS en jaartal binnen twee samengebonden eikentakken.

Variant:

LSch.516a (636a): op voorzijde ingestempeld met 718. R3

Dit duidt op het zilvergehalte van 718/1000, het zogenaamde ’gehalte Levol‘.

Door proeven in Parijs ontdekte M.A. Levol, essayeur aan de Munt te Parijs ca. 1850, dat een zilverlegering met 718/1000 zilver en 282/1000 koper betere gieteigenschappen heeft en homogenere gietstukken levert dan andere samenstellingen.

In 1853 werden deze proeven in Nederland herhaald door A. Vrolik, voorzitter van het Munt-College, met hetzelfde resultaat. Uit dit proefmateriaal zijn kwartjes, dubbeltjes en stuivers geslagen met jaartal 1853 en op de voorzijde de instempeling 718. Op grond van deze proeven werd in 1854 voor Ned. Indië het zilvergehalte 0,720 ingevoerd voor de 1/4, 1/10 en 1/20 gulden volgens Art. 7 van de Wet van 1 Mei 1854, S. 75.

De metaallegering 720/1000 zilver plus koper is de hardste van de zilver-koperlegeringen, harder dan nikkel!

In Nederland werd dit gehalte in 1921 ingevoerd voor de rijksdaalder, gulden en halve gulden.

Er bestaan ook 10 en 5 Centstukken 1853 met deze instempeling.